5 april 2017

Tolkien en taal

Taal was Tolkiens grote liefde. Het is dan ook niet zo vreemd dat hij van de studie daarvan zijn vak maakte en filoloog werd: de wetenschap die zich bezighoudt met de taal en letterkunde van een volk. Tolkien begon na zijn middelbareschooltijd aan een studie Grieks, maar schakelde na een paar jaar over op Engelse filologie met Oudnoors als extra vak. Zijn eerste baan na zijn afstuderen was bij het Oxford English Dictionary. Daarna werd hij professor Angelsaksisch aan de universiteit van Leeds en van 1945 tot aan zijn pensionering professor Engelse Taal- en Letterkunde in Oxford.

Maar Tolkien deed meer dan taal analyseren en doceren. Hij verzon zelf al van jongs af aan talen; een daarvan was het Naffarin, dat gebaseerd was op Latijn en Spaans. Dat een kind eigen talen verzint komt vaker voor; het opmerkelijke bij Tolkien is dat hij er nooit meer mee opgehouden is. In zijn visie waren talen onafscheidelijk verbonden met de mythologie van de cultuur waarin ze functioneerden. Dus nadat hij Elfentalen Q(u)enya en Sindarijns had ontworpen, creëerde hij daaromheen een eigen mythologie, compleet met goden (later ‘machten’) en een scheppingsverhaal, voor een wereld die kan worden beschouwd als een alternatieve versie van de onze. Met andere woorden, Tolkien vond zijn wereld uit om een plaats te scheppen waar de door hem verzonnen talen gesproken konden worden, en niet andersom – en dat is een unicum.

Het Quenya en het Sindarin waren ruwweg gebaseerd op talen die Tolkien mooi vond, Fins, Grieks en Welsh. Schoonheid was voor Tolkien een onmisbare component van taal; het speelt een grote rol bij het creëren van zijn elfentalen. `Ai! Laurië lantar lassi súrinen,’ de eerste zin van Galadriels klaagzang (Quenya), is een goed voorbeeld van wat hij welluidend vond. Daarentegen is de Zwarte Taal die hij ontwierp voor de vertegenwoordigers van het kwaad, als uitgesproken lelijk bedoeld: `Ash nazg durbatulûk, ash nazg gimbatul’ (etc.) – de inscriptie op de Ene Ring.

De taal die de Ruiters van Rohan spreken, is niet door Tolkien zelf bedacht: dat is namelijk Angelsaksisch. De taal waarmee hij zich beroepsmatig het meeste bezig hield, heeft dus ook een plaatsje in zijn oeuvre gekregen – zij het als ‘vertaling’ van een Middenaardse taal waar verder niets van bekend is.

Hoeveel talen heeft Tolkien precies bedacht? De talen uit zijn kindertijd buiten beschouwing latend, kan gezegd worden dat zijn werk twee talen bevat met een substantiële woordenschat en voldoende grammatica om teksten mee te maken (n.l. Quenya en Sindarin), zo’n twaalf talen en dialecten waarvan fragmenten bekend zijn, plus een stuk of tien talen met maar een enkel woord, of hooguit twee.

Elfentalen (met de woorden voor zwaan, sprekers, en ork):

  • Quenya: alqua quendi urco
  • Telerin: alpa pendi (- de Teleri kwamen nooit Orks tegen)
  • Oud-Sindarin: alpha orko
  • Sindarin: alph ped-(spreken) orch
  • Doriathrin (taal van Lúthien): – – urch
  • Nandorin: – – urc
  • Ilkorin: alch – –
  • de dialecten van de Avari: kindi, cuind, hwenti, windan, kinn-lai, penni (sprekers)

Mensentalen:

  • Adûnaic: bêth (woord, Elfs leenwoord); inzil (bloem), zâyan (land)
  • Taliska (een voorloper van het Adunaic; taal van Beren): bor (steen), hal (hoofd)
  • Rohirric: kûd-dûkan (holbewoner), loho (paard)
  • Dunlands: forgoil (strokoppen)
  • de taal van de Druedain: gorgûn (orks)
  • de Noordelijke Talen: Trahald (Smeagol), Trâgu (Smaug)
  • de taal van Khand: mûmak (olifant)
  • de taal van Harad: Inka- nûs(h) (noordelijke spion)

Overige talen:

  • de Hobbittaal: kuduk (hobbit, vgl. Rohirric kûd-dûkan), banazir (halfwijs)
  • Khuzdul: felakgundu (grothakker), baraz (rood), kheled (glas)
  • Ents: a-lalla-lalla-rumba-kamanda-lindor-búrume (betekenis onbekend)
  • De taal van de Valar: dušamanûdân (geschonden), phanaikelûth (heldere spiegel = de maan)
  • De Zwarte Taal: búrz (duister), nazg (ring)

Voor wie zelf met Tolkiens talen aan de gang wil: de belangrijkste website over Tolkiens talen is Ardalambion.